Metasequoia glyptostroboides |

Oorsprong:
Oost-Azië. (binnenland van China)
Bijzonderheden:
De watercipres is net als de lariks een bladverliezende conifeer. De watercipres wordt gezien als levend fossiel. De soort kwam voor de laatste ijstijd vrij algemeen voor in Oost Azië (Japan, Korea en China). In het Tertiair kwam het geslacht Metasequoia algemeen voor op het noordelijk halfrond. Nu is de boom alleen nog in het wild te vinden in Centraal-China. De watercipres komt in China voor op rotsige oevers en vochtige plaatsen. Van een afstand lijkt de watercipres wel op de moerascipres (Taxodium distichum). Hij wordt ook wel Chinese mammoetboom genoemd.
De watercipres is een boom die in de herfst niet alleen de naalden maar ook de éénjarige loten afstoot. De naalden verkleuren roodbruin in de herfst. De twijgen en de naalden zijn tegenoverstaand.
De naalden of deelbladeren zijn afgeplat, 10 tot 25 mm lang en 2 mm breed en voorzien van een korte stijve punt. Aan de onderzijde vinden we een paar onduidelijke lijnen (loupe!) waar zich huidmondjes bevinden. De gehele twijg valt op te vatten als een samengesteld blad, aan de basis van de twijgen vinden we dan ook de knoppen. Ook in de winter is dit duidelijk zichtbaar. De nieuwe knop staat onder het litteken van de afgevallen twijg van vorig jaar.
De boom is eenhuizig, dat wil zeggen dat afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke delen (“bloemen”) op hetzelfde individu gevormd worden. (zie foto rechtsboven) De zittende mannelijke bloemen (strobili) zijn ovaal, ongeveer 5 mm lang, en staan met velen bijeen aan lange hangende aren of trossen. Ze bestaan uit een aantal schutbladen waaruit bundels van meedraden steken. De lang gesteelde vrouwelijke bloemen zijn bolvomige kegels, ze staan aan spaarzaam bebladerde zijwaartse takken. De kegels meten, wanneer ze uitgegroeid zijn, zo ongeveer 2,5 cm.
De watercipres bloeit met weinig opvallende kegels.
De conifeer heeft een brede tot zuilvormige kroon. De roodbruine bast is vezelachtig met onregelmatige ribbels. De langgesteelde, hangende kegelvormige kegels zijn in Nederland en België in september rijp. Pas op twintigjarige leeftijd geeft de boom kiemkrachtig zaad.
De zijtwijgjes (kortloten) van de moerascipres staan verspreid ingeplant en zijn bezet met 80-100 dunne, zachte en smalle (naalden) (1-2 × 0,1-0,2 cm). De zijtwijgjes van de watercipres zijn tegenoverstaand ingeplant en zijn bezet met minder, tegenoverstaande, langere en wat bredere naalden (2-4 × 0,2 cm). Bij de watercipres verschijnen sommige zijtwijgjes onder de naalden, niet in de oksel ervan.
In Nederland en België is de boom te vinden in tuinen en parken. De exemplaren die in Nederland en België groeien zijn meestal tot 25 m hoog. Ze kunnen in China tot 40 m hoog worden. De bomen die in de Benelux zijn geplant, hebben de tijd nog niet gehad om hoger te worden.
Het spinhout is geelachtig wit en het kernhout bruin tot paarsrood.
In 1941 ontdekte een boswachter in een ontoegankelijk gebied in China een kleine populatie onbekende bomen. Dunne takken, een sierlijk blad en mooie piramidevormige kroon. Chinese dendrologen stelden vast dat dit de uitgestorven gewaande watercipres betrof. In 1947 werd met steun van het Arnold arboretum een expeditie uitgerust om zaden te verzamelen waarvan diverse botanische tuinen in ons land materiaal hebben opgekweekt.
Toepassingen:
De watercipres is een snelle groeier en wordt in China op grote schaal aangeplant om hout te leveren voor de steigers van vele nieuwbouwprojecten in dat land.