Brewerspar

Picea breweriana

Oorsprong:
Het westen van de Verenigde Staten. (de Klamath Mountains, zuidwest Oregon noordwest Californië)

Bijzonderheden:
De Brewerspar is een van de zeldzaamste Amerikaanse soorten. In zijn oorspronkelijke omgeving groeide de boom op hoogte van 1000 tot 2700 m. (Zie foto onderaan deze tekst)

In het Engels wordt ze zowel met Brewer spruce als met weeping spruce aangeduid.[2] De soort is vernoemd naar William Henry Brewer, professor plantkunde aan Yale De brewerspar groeit zowel op sedimentaire als op granietachtige, serpentijn of vulkanische gesteenten, vooral op ondiepe gronden.  Men treft hem vooral aan op kammen die fel besneeuwd worden in de winter, veel dooiwater krijgen in de lente en droog staan in de zomer. Hij verdraagt een temperatuur van -40 graden. Eén van de weinige bomen die in deze situatie overleeft. . Door zijn treurende ‘bouw’ is hij goed aangepast aan zware sneeuwval. De boom is kwetsbaar voor vuur.

Op volwassen leeftijd bereikt de boom een hoogte van 20-40 m (bij uitzondering tot 54 m) en heeft een stam met een diameter tot 1,5 m. De bast is paarskleurig met harde, ronde schilfers. De kroon bestaat uit in etages geplaatste takken met tot 2 m lange hangende twijgen, die als een gordijn omlaag hangen.

Picea breweriana groeit traag, 20 tot maximum 30 cm/jaar. Jonge bomen hebben alleen omhooggerichte, slanke takken zonder hangende twijgen. De hangende twijgen verschijnen pas als de tien- tot twintigjarige boom een hoogte van 1,5-2 m heeft bereikt.

De jonge twijgen zijn oranjebruin en fijn donzig behaard. De afgeplatte naalden, die rondom de twijgen zijn gerangschikt, zijn 1,5-3,5 cm lang.. Zij hebben een glanzende donkergroene bovenzijde en zijn voorzien van twee smalle witte banden met huidmondjes aan de onderzijde. De kleine mannelijke kegels zijn rood en verschijnen aan het eind van nieuwe scheuten. de rechtopstaande vrouwelijke kegels zijn groen. De licht gebogen rijpe kegels zijn bruin en tot 15 cm lang. ze behoren tot de langste kegels van alle amerikaanse sparren.

Wegens zijn elegante, treurende habitus wordt Picea breweriana zeer geprezen en in tuinen en parken geplant, vooral in het noorden van de Britse eilanden  en in Scandinvië. De hoogte van gekweekte exemplaren bedraagt zelden meer dan 15 m.

In het Engels wordt ze zowel met Brewer spruce als met weeping spruce aangeduid.
In Nederland komt de naam Treurspar voor. De soort is vernoemd naar William Henry Brewer, professor plantkunde aan Yale.

Toepassingen:
Jonge mannelijke katjes kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ook worden ze gebruikt als kruid. Onrijpe vrouwelijke kegels worden gekookt en als ze worden geroosterd is hun kern zoet en stroperig. De binnenschors wordt gedroogd en tot poeder gemalen en vervolgens als bindmiddel in bijvoorbeeld soepen gebruikt of toegevoegd aan broodmeel. Van de topjes van de jonge scheuten kan een verkwikkende thee worden gemaak, die rijk is aan vitamine C.

Het hout is zacht, zwaar en fijn gestructureerd. Het is waardevol in de pulpindustrie voor het maken van papier.