Gewone Jeneverbes

Juniperus communis

Oorsprong:
De jeneverbes is een conifeer uit de cipresfamilie. Het is een van de weinige coniferen, naast de grove den en de taxus, die van nature voorkomt in de Benelux.

Bijzonderheden:
Jeneverbes, Juniperus communis is een opvallende verschijning in het landschap. Deze conifeer of naaldboom is meteen te herkennen aan de grijsgroene kleur, aan de korte maar zeer stekelige naalden, en aan zijn vorm: van zuilvormig tot breed uitwaaierend.
De jeneverbes is tweehuizig: het heeft mannelijke en vrouwelijke bloemen. Het rijpen van de ‘bessen’ strekt zich uit over twee jaar. De vrouwelijke zaadschubben vormen in het eerste jaar zwartblauwe, op bessen lijkende vruchten. Na de overwintering worden zij donkerblauw. De jeneverbes kan tot tien meter hoog worden.
Jeneverbes wordt door korte, tot ongeveer 1,5 cm lange, stekende, scherp gepunte priemvormige naalden gekenmerkt. Deze zijn in kransen van 3 om de takken geplaatst aan gevleugelde twijgen. De onderkant is egaal donkergroen, de bovenzijde grijsgroen, de witachtige strepen aan de bovenkant breder dan de groene bladrand. Met voldoende vergroting, een loep van 10 tot 20 maal, is te zien dat de huidmondjes aan de bovenkant dit kleurverschil bepalen.

Voor het voortbestaan van populaties jeneverbes is het belangrijk dat er voldoende exemplaren in de buurt staan en dat ze vrij staan; de wind moet met name tijdens de bloei vrij spel hebben. Dit om het zogenaamde roken van de bomen te waarborgen. De plant verspreidt namelijk tijdens de bloei wolken van stuifmeel. De grote lijster eet de kegelbessen en verspreidt op deze wijze de zaden.

Mannelijke kegels zijn wat lastig te onderscheiden, ze zijn klein, houtig, slechts enkele mm groot, en bestaan uit een paar schutbladen en 10 tot 15 kegelschubben waaronder de meeldraden staan geplaatst.

De vrouwelijke kegels zijn wat groter, deze bestaan uit een drietallige krans van vruchtbladen. De drie vruchtbladen groeien na de bevruchting uit tot een vlezige schijnbes. De vruchten bevatten 1 tot 3 (meestal 3) zaden. In het eerste jaar zijn de ‘bessen’ groen van kleur, in het tweede jaar rijpen ze en worden ze blauwzwart met een duidelijke berijping (blauwberijpt). In de herfst van het tweede jaar vallen de bessen massaal af.

De struik is een pioniersoort waarvan de zaden kiemen in minerale bodems (lees: stuifzanden) na enkele natte jaren. In Nederland vindt nauwelijks natuurlijke verjonging  plaats. Een uitzondering zijn bepaalde terreinen waar de bodem regelmatig wordt verstoord (zoals militaire oefenterreinen). Mogelijke verklaringen voor de beperkte verjonging zijn konijnenvraat van jonge scheuten en een te zure samenstelling van de bodem. Kiemplanten worden maar sporadisch gevonden.

Het verspreidingsgebied is zeer groot: vrijwel overal op het noordelijk halfrond tot langs de poolcirkel met uitlopers tot diep in de subtropische gebieden. Grote populaties komen voor in de naaldwouden van Azië en Canada.

Jeneverbessen worden in Nederland in de meeste gevallen als solitaire struiken aangetroffen op zandverstuivingen en heidelandschappen. Concentraties van grote aantallen zijn zeldzaam. In natuurgebied de Borkeld bij Rijssen is in de jaren 1970 snelweg A1 met een bocht aangelegd om een jeneverbesstruweel te sparen.

De schors is grijs- tot roodbruin, bij het ouder worden vezelig en kan dan in lange smalle repen van de stam af komen.

Toepassingen:
Onze voorouders wisten dat deze krammetboom, wakholder, dammerbeeze, prikketak, dampol, machandel, lambeeren of kwakelbeeze, zoals ze hem ook wel noemden, een gezonde boom voor hen was. Van de blauwe bessen maakten ze een aromatisch bruin prutje voor de jenever (jenever is afgeleid van juniperus). De eerste slok in 1595 smaakte duidelijk naar meer, want vanaf die tijd lieten de Schiedamse drankstokers jaarlijks een scheepslading jeneverbessen overvaren uit het Schotse plaatsje Inverness. Die import bewijst dat er zoveel werd gedronken dat er een tekort was aan inlandse bessen.
De gedroogde bessen worden als specerij gebruikt in bijvoorbeeld marinades voor wild. Ook zuurkool wordt traditioneel met jeneverbes gekruid. Naast de bessen worden ook de bladeren gebruikt, bijvoorbeeld bij het grillen van vis.

Heilig
De kroon is zo dicht dat er bijna geen licht door valt. Daardoor ziet men Jeneverbessen op enige afstand als donkere silhouetten. Vooral bij mistig weer of in de schemering op de heide hebben mensen daarin vaak bovenmenselijke gedaantes gezien. Daarom dacht niemand eraan om ze te kappen. Met het groen weerden ze boze geesten van boerenbruiloften en als ze zijn takken en naalden rookten, hoefden ze niet bang te zijn voor de pest. Als een vrouw graag een kind wilde, moest ze die wens tussen de stekelige takken fluisteren. Van die takken werden ook magische bekers en vaten gemaakt. Een twijgje van de plant zou de drager beschermen tegen ongelukken en aanvallen van wilde dieren en slangen. Bij de Germanen was de boom door zijn beschermende eigenschappen heilig. Nog steeds heten in Westfalen de vruchten van deze boom ‘Heilige Beeren’ en ‘Weihbeeren’.
De Jeneverbes is niet alleen de broedplaats van de goudvink en de staartmees, maar ook belangrijk voor een aantal insecten zoals de jeneverbeskever, jeneverbesmot en de schorskever.