Pinus nigra

Oorsprong:
Midden en Zuidoost Europa.
Bijzonderheden:
De zwarte den komt voor in grote delen van Europa, Klein-Azië en het Atlasgebergte in noordwestelijk Afrika. De boom wordt gevonden van zeeniveau tot hoogtes van 2000 m.
Het is een naaldboom met een kegelachtige tot schermvormige kruin. De zwarte den kan meer dan 500 jaar oud worden. De boom tolereert geen schaduw en moet vol in de zon staan, maar kan goed tegen sneeuw en vorst.
De zwarte den is een hoge boom van 30 m of meer. De twijgen zijn kaal en bruin. Wanneer we naar de knoppen kijken valt de helderbruine kleur op, de schubben liggen aangedrukt en bevatten hars.
De naalden, in paren van twee, zijn 9 tot maximaal 16 cm lang, stijf en wat stekend waarbij de naaldscheden 1 tot 1,5 cm lang zijn. We vinden kegels van 5 tot 8 cm lengte, de zaad- of kegelschubben zijn scherp (subsp. nigra) Achter iedere zaad- of kegelschub ontwikkelen zich twee zaden.
Wanneer de kegels rijp zijn krullen de schubben, bij droog weer, als het ware open. Dan verlaten de zaden de kegel. Ze kunnen een behoorlijke afstand afleggen. Ieder zaad bestaat uit een nootje met een papierdunne vleugel, waardoor het zaad met de wind verspreid kan worden.
Toepassingen:
De zwarte den is veel in duinen geplant. Ter bestrijding van het verstuiven van de duinen (al vanaf 19e eeuw) bleken zwarte dennen sterker te zijn dan bijv. de grove den.